WO II: uit het levensverhaal van mijn tante Go van de Zeedijk

De kinderen van mijn tante Go, de derde van het gezin Louman van de Zeedijk waarvan mijn vader de oudste was, hebben Marleen Arkesteijn gevraagd om haar te interviewen en haar levensverhaal vast te leggen. Tante Go is vorig jaar op 95-jarige leeftijd overleden en was tot op het laatst helder van geest en had een fenomenaal geheugen. Ze kon bovendien goed vertellen. Hoewel ik haar niet heel vaak zag weet ik nog hoe ze bijvoorbeeld eens smeuiig op een familie-feestje verhaalde over hoe er op Zeedijk 131 een echt toilet werd aangelegd, jahaa, een echt wátercloset. Mij zus en ik hadden het plan om nog eens een middagje bij haar langs te gaan om over het verleden te praten, en mijn zus heeft dat daadwerkelijk gedaan. Vooral de verhalen m.b.t. de Tweede Wereldoorlog vond ik ontroerend. Ik heb van haar zoon neef Ivo, van wie ik het levensverhaal toegestuurd kreeg, de toestemming om het hier neer te zetten. Een paar delen daarvan die over de oorlog gaan heb ik hier uitgekozen, niet alles want het is eigenlijk al erg lang voor dit blog. Maar oh, wat heb ik een spijt dat ik hetzelfde niet heb gedaan bij mijn vader, want ik vind het echt een monument. In de loop van de jaren hoorde ik natuurlijk wel eens wat van mijn vader over de oorlog. Ik vroeg hem bijvoorbeeld een keer of zij ook bloembollen hadden gegeten in de hongerwinter en hoe die dan klaargemaakt werden. Nou, zei hij, die werden in schijfjes gesneden en op de kachel gelegd, het werd een soort chips, best lekker.

Levensverhaal van Margot Louman – Weekenborg
5 januari 1924
Opgetekend door Marleen Arkesteijn

De oorlog
Ik heb de oorlog meegemaakt in de binnenstad van Amsterdam, tussen station Amsterdam CS en de Jodenbuurt in (De Zeedijk , toen nr 131 nu 143 Latei RL). Hoe het toen op andere plaatsen in Nederland was, weet ik niet. Toen de oorlog uitbrak, was ik zestien jaar oud. We hadden geen idee wat er zou gaan gebeuren.

We moesten van de Duitsers zorgen voor zwarte gordijnen. Die moesten dan dicht zijn en alles moest afgeplakt worden, zodat het buiten helemaal donker was en de Engelsen niet konden zien waar de steden lagen en waar ze waren. De militairen controleerden of alles goed dicht was. Iedereen moest om acht uur ‘s avonds binnen zijn. Na acht uur was er niets meer te doen. Ook geen vergaderingen, avondschool etc. meer.


Onderduiken
Toen de oorlog een jaar uitgebroken was, is mijn oudste broer Luuk ondergedoken. Alle mannen en vrouwen die flink waren, moesten het leger in of naar de fabrieken om te werken. Dat heette ‘arbeidsdienst’. Mijn vader had een hok achter de plee in de kelder gemaakt. Daar moest hij in als de Duitsers kwamen (Ik heb een paar jaar geleden in Latei gevraagd of ik de kelder eens mocht zien, maar die was, waarschijnlijk ook door de brand die er geweest is, niet meer in de oude staat of iets wat daarop leek RL). Hij had weliswaar geen bericht gekregen dat hij zich moest melden, maar als jonge man liep je toch het risico om opgepakt te worden. Hij werkte in die tijd bij de NS in Haarlem als technisch tekenaar. Hij ging van station CS richting Haarlem.

Daar was de fabriek van de NS (Bijnes, nu is daar nog een Bijnes-hofje RL). Toen mijn jongere broertje Herman zestien jaar werd, kreeg hij wel bericht dat hij zich moest melden voor de Arbeitseinsatz. Er kwamen mensen bij mijn vader in de winkel informeren, waarom ze zijn zoon niet in de trein hadden gezien. ‘Ik heb hem wel naar de trein gebracht’, zei mijn vader. Hij kon niet goed liegen. Mijn broertje kwam op een zolderkamertje terecht op de Kromme Waal. Daar heeft hij bijna twee jaar gezeten. Mijn zus en ik moesten hem om de beurt eten brengen. Wij als vrouw konden nog wat doen. De jongens zouden opgepakt worden. Hij vertelde dat hij ‘s nachts als het mooi weer was het raam opendeed en met zijn benen op de vensterbank ging zitten. Hij heeft in die tijd alle mogelijke dingen gemaakt. Hij knoopte bijvoorbeeld tassen. Mijn vader verkocht de dingen die hij maakte in de winkel.

Radio inleveren
We moesten onze radio inleveren. Je had toen radio’s, waar je naar zender éen’ of ‘twee’ kon luisteren met een losse luidspreker. Ik denk dat hij de luidspreker heeft ingeleverd. De radio heeft hij zelf gehouden en verstopt in een leeg gemaakte sigarenkist. Op de eerste verdieping waren planken met lege en volle sigarenkisten. Daar heeft hij ook de kist met de radio neer gezet. Mijn vader luisterde naar de Engelse zender. Daar werd iets anders op verteld dan op de Duitse zender. De Engelse zender werd heel erg gestoord. Naast ons zat de koffiewinkel van De Jong. Het waren NSB-ers en ze mochten de radio niet horen. Onze trap zat tegen de muur van de buren aan. ‘Gaan jullie even op de trap en kabaal maken’, zei mijn vader als hij wilde luisteren. Dan liepen we hard de trap op en gingen liedjes zingen.

Illegaal krantje
Mensen die naar de Engelse zender luisterden, maakten samen een illegaal krantje met informatie vanuit Engeland. Meestal werden de krantjes door vrouwen rondgebracht. Die krantjes kwamen naar ons. Als ze bij ons gebracht werden, werden ze onder het bed gelegd in een sloop. Wij moesten ze verdelen in de buurt. Ze gingen naar vaste adressen. De Nicolaaskerk speelde er wel een rol in. We hebben geluk gehad. Toen we een blad door de brievenbus van de pastorie gooiden, deden de Duitsers net boven huiszoeking om te zien of er geen Joden ondergedoken zaten. Godzijdank zijn we niet gezien. We zijn door het oog van de naald gekropen.

NSB-ers als buren
Onze buren waren aardige mensen. Voor de oorlog speelden we met de buurkinderen Dicky en Neeltje. Ze waren protestanten. In de oorlog werden ze heel erg NSB-er. Mijn vader vond het verschrikkelijk, maar hij kon het zich ook voorstellen. Er werd zo weinig verdiend. Die mensen wilden wat anders. Ze gingen een uniform dragen. De kinderen droegen uniformen met vlaggetjes. We konden niet meer met ze omgaan. Dat vonden we erg. Ze deden niet vervelend tegen ons. Officieel waren ze de enige NSB-ers in doen en laten in onze buurt. Misschien waren er nog wel meer. De hele buurt accepteerde het niet dat ze NSB-er waren. Na de oorlog moesten ze weg.

Joden in de oorlog
Toen de oorlog net begonnen was, kregen alle Joden een gele ster. Die moesten ze zichtbaar dragen als ze naar buiten gingen. We woonden vlak naast de Jodenbuurt. De Jodenbreestraat heette eigenlijk Antonius Breestraat, maar niemand zei dat. Van veel mensen in onze buurt wisten we dat het Joden waren. Een beetje verderop in onze straat zat een Joodse schoenenzaak. Heel veel klanten van de schoenenwinkel en veel Joodse klanten van ons kwamen niet meer terug na de oorlog. Onze dokter was ook een Jood. Hij had een vrouw en vier kinderen en woonde aan de Prins Hendrikkade. We hebben gehoord dat hij naar Zwitserland is gegaan en nooit meer is terug gekomen.

Op de Noorder Amstellaan had ik gitaarles van iemand. Hij zei dat ik niet meer hoefde te komen. Waarschijnlijk was hij ook een Jood. Hij had twee of drie kinderen. Ook de drogist tegenover ons was Joods. Hij had zijn belangrijke papieren bij iemand anders gebracht. Op een gegeven moment liepen de Joden in een lange rij over de Zeedijk. Ze hadden tassen en boeken bij zich. Mijn vader en moeder maakten een klein kiertje in het gordijn, zodat ze konden zien hoe de mensen weggevoerd werden. Ik herinner me nog hoe mijn ouders tranen in hun ogen kregen. Wij hadden toen nog geen idee dat ze nooit meer terug zouden komen. We wisten wel dat ze naar kampen gingen en daar hard moesten werken, maar niet dat ze de gaskamer in gingen en vermoord werden.

Honger
Er was bijna niets meer te eten. We hadden altijd honger. Aan het einde van de hongerwinter kregen we nog maar een sneetje brood per dag. Het was flutbrood. Melk was schaars. Groente kon je gelukkig nog wel krijgen. De groente werd aangevoerd op de Gelderse Kade. Er stonden dikke rijen met mensen te wachten. Ik herinner me nog dat mijn vader boos was dat mijn oudste broer een wortel uit de zak had genomen die er voor iedereen was. Je had nog wel bruine en witte bonen of rijst, maar die moesten gekookt worden en daar was niet genoeg brandstof voor. Dankzij de bonnen van de tabakswinkel hadden we soms ook tarwe.

Mijn moeder maalde de tarwe tot meel en bakte daar pannenkoeken van. Het was allemaal scharrelen. Er was ook geen zeep. We wasten onze kleren in zout water en een beetje soda. Ik heb heel wat keren gewassen in grote teilen. Wij hebben de hongerwinter overleefd. Mijn vader en moeder waren wel heel mager. Onze neef Karel, van mijn moeders zus Marie, is wel dood gegaan van de honger. Hij was bij ons in dienst tot de oorlog uitbrak. Toen was er niets meer voor hem te doen in de sigarenmakerij. Mijn jongste broer Ton is in de hongerwinter naar Roggel gegaan. Ik weet nog steeds niet hoe hij daar naartoe gegaan is. Ik heb gehoord dat de mensen die in de hongerwinter gestorven waren en niet begraven konden worden, opgeslagen werden in de kerk in de Zandstraat.